Voor de een is een dansvloer de fijnste plek van de avond, voor de ander de engste ruimte van het gebouw. Daarom leest de traditie dit beeld op het gevoel en niet op de pasjes.
Wat mensen van een dansdroom onthouden is nooit de choreografie. Het is of er iemand keek, of het lichaam wist wat het moest doen, en wie er verder op de vloer stond. De uitleg sluit daar naadloos op aan: dansen wordt van oudsher gelezen op het gevoel en niet op het voetenwerk, als loslaten, als iets in iemand dat lang is stilgehouden en eindelijk beweegt. De oudere boeken koppelen het daarnaast aan feest, verkering en goed gezelschap.
Er ligt meestal een gewone aanleiding vlakbij. Een uitnodiging voor een bruiloft, een lange avond muziek, een les die je al maanden wilt boeken, of juist een reeks weken waarin het lichaam nauwelijks in beweging is geweest. Lichamelijke onrust komt in dromen terug als beweging, en dansen is de gezelligste beweging die er is. Wie in het dagelijks leven danst droomt erover zoals muzikanten over toonladders dromen, en voor die groep weegt het beeld veel minder symbolisch dan een lijstje suggereert.
Belangrijker dan de symboliek is wat dansen jou overdag kost en oplevert. Een geschoolde danser en iemand die het al twintig jaar zorgvuldig vermijdt hebben niet dezelfde droom, ook al zijn de beelden tot in de details identiek. De traditie noemt dansen vreugde, maar vreugde is hier niet vanzelfsprekend: staat zo'n droom voor jou dichter bij een examen dan bij een feest, dan is dat de uitleg die telt.


