Wat na zo'n droom blijft hangen is bijna altijd het oppervlak: hield het een spiegelbeeld vast, bewoog er iets onder, en was de overkant nog te zien.
Een meer is geen zee. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar in de uitlegtraditie zit daar het hele verschil: de zee heeft geen zichtbare overkant en komt van buiten op je af, terwijl een meer omsloten is en zijn eigen rand heeft. Stilstaand water wordt al eeuwen gelezen als de stand van je gevoel, en juist omdat een meer besloten ligt, gaat het over het weer binnenin en niet over gebeurtenissen die jouw kant op komen.
Zwemmen in een meer en aan de kant staan worden heel verschillend gelezen. Het water in gaan geldt als bereidheid om iets te voelen in plaats van het te bekijken, en dromers beschrijven de temperatuur vaak levendiger dan al het andere. Erin vallen of naar beneden getrokken worden schuift op naar de verdrinkingsbeelden, waar de lezing over overspoeld raken gaat en niets zegt over water in je wakkere leven. Overroeien stond in oudere verslagen voor iets oversteken op je eigen tempo.
Waar mensen zich achteraf op vastzetten is bijna altijd het oppervlak, en daar hangt dan ook de meeste uitleg aan.
De woordenboekbetekenis is een beginpunt en niet veel meer. Wie elke zomer van zijn jeugd aan dezelfde oever heeft doorgebracht, brengt dit beeld al ingevuld mee, en wie ooit bijna is verdronken herkent in de kalme versie helemaal niets. Ook het gewone leven telt mee: een warme week, een vakantie die geboekt wordt, een foto die je de avond ervoor zag. De droom beschrijft een stemming en voorspelt geen gebeurtenis, en die stemming is van jou voordat hij van het symbool is.


