Een van de scherpst herinnerde dromen die mensen melden. Hoe tradities zo'n ontmoeting benaderen, waarom de woorden vervagen en wat het gevoel erna te betekenen heeft.
Van weinig dromen blijft zo veel over als van deze. Een ontmoeting met een goddelijke gestalte, hoe iemands eigen achtergrond die ook invult, laat bij het ontwaken vooral een sfeer achter en nauwelijks details; wat mensen melden is schaal, licht of een stem, bijna nooit een gezicht. In veel uitlegtradities wordt zo'n ontmoeting opgevat als een moment van volledig gezien worden, en als een droom over geweten, ontzag en alles wat de dromer heilig noemt.
Dit is het beeld waarbij een woordenboek zijn grenzen het hardst voelt. Geloofstradities gaan er onderling heel verschillend mee om en hanteren elk hun eigen voorwaarden en voorbehouden. Seculiere droompsychologie leest de gestalte op haar beurt als een beeld van de hoogste maatstaf van de dromer zelf, en niet als bezoek. Wat die benaderingen delen is bescheiden: de ontmoeting wordt serieus genomen, en ze wordt opgevat als iets wat over de dromer gaat. Verder lopen ze uiteen, en die knoop doorhakken is niet de taak van een lemma. Hoor je bij een geloofsgemeenschap, dan zijn de leraren daarbinnen de mensen om dit aan voor te leggen.
In de praktijk verschijnt dit beeld rond drempels: een sterfgeval, ziekte in de familie, een besluit dat maar niet wil landen, een periode van schuldgevoel of juist van ongewone dankbaarheid. Dat is geen bewering over waar de droom vandaan komt, maar een observatie over wanneer mensen zeggen hem te hebben. Opvoeding kleurt hem sterker dan welke algemene lezing ook. Iemand die streng gelovig opgroeide, iemand die zo'n huis achter zich liet en iemand die zonder religie opgroeide, dromen dit elk anders, en elk van die dromen hoort bij dat leven. Geen lemma kan je vertellen wat je eigen overtuiging van je vraagt, en geen lemma zou dat moeten proberen.


