De geit komt uit de boerenboeken als sober en taai bezit, uit de bergen als zekere klimmer, en uit de schilderkunst met bagage die er nooit bij hoorde.
Bij dit dier moet eerst iets opzij. Wie aan een geit denkt, denkt al snel aan de zondebok of aan de gehoornde duivel uit de Europese schilderkunst, en allebei die associaties zijn plaatselijk en niet algemeen. De zondebok komt uit een oud ritueel dat in de Hebreeuwse Bijbel beschreven staat en werd daarna een uitdrukking over het afschuiven van schuld. De duivel met horens is een latere afspraak tussen kunstenaars, met een eigen geschiedenis. Wie ze als de betekenis van het beest neemt, haalt het meubilair van een andere cultuur zijn nacht binnen.
In droomboeken die geschreven zijn waar vee nog bezit was, hoort de geit bij de bescheiden welvaart: taai spul dat een gezin voedt op grond waar niets anders van leeft. Daarnaast staat het dier als klimmer, zeker van poot op rotsen waar geen ander komt. Als soberheid gelezen wijst de geit op rondkomen met weinig en dat ook nog goed doen. Als houvast gelezen wijst ze op een steil stuk dat zonder drama genomen wordt. Melk, kaas en een stuk grond dat verder braak lag: dat is het hele plaatje waar die lezing uit voortkomt, en het verklaart waarom de geit in die boeken nooit bij de grote rijkdom staat maar altijd bij het rondkomen.
Navertellen doen mensen zelden het hele dier: het gaat om die liggende pupil en om de kop die niet opzij gaat. Weigering is daarmee de derde toon, en die brengen dromers meestal zelf mee, want een geit die haar poten neerzet en je strak aankijkt hoort bij de komische beelden die de slaap maakt. Uitleggers vragen dan waar in het dagelijks leven iets vergelijkbaars speelt, en meestal weet de dromer dat meteen.
Wie zelf geiten houdt, kent ze als luidruchtig, nieuwsgierig gezelschap dat overal uit ontsnapt, en die mensen dromen vooral over geiten. Iemand die er alleen ooit een aaide op een kinderboerderij, of die als kind een kopstoot van een bok kreeg, neemt een heel ander beest mee de nacht in. Ook de omstandigheden tellen: een geit los in een berm, een kudde achter een draad, een dier dat je hoort maar niet ziet. Begin bij je eigen geschiedenis met het beest; wat in de boeken staat, komt daarna pas.


