Uitleggers kijken niet naar de weg maar naar zijn toestand: het wegdek, het licht, de afslagen, en of je zelf reed, liep of werd meegenomen.
Vaak weet de dromer niet eens waar de weg heen ging. Wat wel blijft hangen is hoe hij erbij lag: glad, opgebroken, aardedonker of juist kaarsrecht tot aan de horizon. Precies daar gaat de traditie op af. Een weg staat voor de richting die een leven neemt, maar uitleggers hebben zich altijd beziggehouden met de toestand ervan en niet met de weg zelf, want het bruikbare materiaal zit in het wegdek, het licht en de afslagen.
Hoeveel zeggenschap je had is het detail om vast te houden. Lopen, zelf rijden en meegereden worden verdelen die zeggenschap netjes in drieën. Zelf achter het stuur zitten geldt als de meeste grip, meerijden als de minste, en lopen als iets ertussenin: traag, maar met de keuze elk moment binnen handbereik. Een chauffeur die er zijn brood mee verdient, iemand die overal op de fiets komt en iemand die nog schrikt van een aanrijding komen dezelfde honderd meter asfalt op heel verschillende voorwaarden tegen.
Bekende routes dragen hun eigen bagage. Het rondje naar de basisschool, de rit naar een oude werkplek, de weg de stad uit die iemand jaren geleden voorgoed nam: die komen terug met de gevoelskleur van dat tijdvak er nog aan vast, en uitleggers lezen dan de periode en niet het asfalt.
Dromers melden geregeld de juiste weg met de verkeerde gebouwen erlangs, of een afslag die in het echt niet bestaat. Dat is gewoon hoe het geheugen bouwt en het is nergens een teken van. Wat je onderweg passeerde weegt in de uitleg vaak zwaarder dan de weg zelf. Ook hier bepaalt de dromer de betekenis en loopt het woordenboek erachteraan.


