Een stoet mieren wordt op twee manieren gelezen: als werk dat stil doorgaat en optelt, en als kleine lasten die zich stapelen tot je er moe van wordt.
Eén mier valt niemand op. Wat mensen uit zo'n droom meenemen is de rij: een stoet die over de plint loopt, een donkere vlek die langzaam over een muur schuift. Wat de traditie leest is die veelheid en niet het insect zelf. In de oudere droomboeken staan mieren voor klein en volhardend werk, en in diezelfde boeken staan ze voor klein en volhardend ongemak. Welke van de twee je oppakt, hangt er bijna helemaal van af of je toekeek terwijl ze bezig waren of voelde dat ze over je heen liepen.
Insectendromen volgen vaak gewoon op insecten. Een zomer waarin ze het aanrecht vonden, een middag met tegels lichten in de tuin, een beet die 's avonds nog jeukte: alle drie zetten ze het beeld in je hoofd zonder dat er ook maar iets symbolisch aan is. Ook je huid werkt door in je slaap. Een geïrriteerd plekje, de rand van een dekbed of een losse haar wordt makkelijk een zwerm.
Het mierennest gold in de oude verzamelingen als toonbeeld van spaarzaamheid, en ervan dromen werd lang gelezen als werk dat optelt op een plek waar niemand voor klapt. De andere helft van de traditie is een stuk minder vriendelijk. Mieren die zich naar binnen werken, in brood, in een bed, in kleren, horen bij het optellen van kleine plagen: geen enkele op zichzelf ernstig, allemaal samen slopend.
Wat mieren voor jou betekenen, staat boven alles wat hier geschreven staat. Iemand die ze een heel seizoen in de moestuin bezig ziet en iemand die ooit een nest achter het slaapkamerbehang had, dromen niet over hetzelfde dier. Hetzelfde spoor leest bij de een als vakwerk en bij de ander als een trage ramp. Vraag jezelf bij het wakker worden af welke kant het gevoel op ging, en begin daar.


