Wat mensen zich van een kelder herinneren is zelden de ruimte zelf, maar de weg ernaartoe: de trap, het veranderende licht en het besluit om door te lopen.
Veel huizen hebben helemaal geen kelder, en toch dromen mensen erover: een trap achter een deur die er wakker niet is, een verdieping onder een woning waar niets onder zit. Dat is geen fout in de droom maar het interessantste gegeven eraan. De kelder is bij uitstek een verzonnen ruimte, en juist daarom heeft de uitlegtraditie hem zo makkelijk kunnen vullen.
De trap is wat mensen navertellen: hoeveel treden het waren, hoe het licht veranderde, of er halverwege werd omgekeerd. Daar zit de lezing in: de kelder staat voor het deel van een leven dat echt van jou is maar onder de verdieping ligt waar je normaal woont, vol dingen die opgeslagen zijn in plaats van afgehandeld. Gedachten en ideeën die je nooit hebt opgeruimd horen daar in de traditie thuis.
Het idee dat een droomhuis samenvalt met de dromer is grotendeels een vondst van de twintigste eeuw, verspreid door psychologische schrijvers en niet geërfd van oude droomboeken. Het is inmiddels het overheersende kader in de meeste droomwoordenboeken, en dat is het benoemen waard, want een kader van die leeftijd mag je wat losser vasthouden. Oudere volksbronnen kijken minder naar de ruimte als spiegel en meer naar wat erin gevonden werd: een goed gevulde kelder gold als genoeg hebben, een ondergelopen kelder als narigheid in huis.
Een deur die je nooit eerder had opgemerkt wordt heel vaak gemeld en gelezen als ruimte waarvan je niet wist dat je die had. Water op de vloer geldt als gevoel dat doorsijpelt in een gebied dat je afgesloten waande. Iets wat zich daarbeneden beweegt is de angstversie en ligt dichter bij gewone nachtelijke onrust dan bij een bepaalde betekenis. Een kelder die groter is dan het huis erboven wordt gelezen als opslag die de zichtbare woning in omvang voorbijstreeft.
Kelders jagen sommige mensen schrik aan en vervelen anderen, en de droom volgt die tweedeling trouw. Wie er als kind vrolijk speelde voelt bij het afdalen niet de dreiging die droomboeken veronderstellen, en die herinnering weegt zwaarder dan dit lemma. Over wat er met je gaat gebeuren zegt het beeld niets; het hoort bij de taal van het gevoel en niet bij het voorspellen.


