In veel tradities staat het gebouw voor de bewoner en worden kamers levensgebieden. Sluitend, eindeloos herhaald, en toch een afspraak in plaats van een vondst.
De vaakst gemelde huisdroom is niet die van je eigen woning, maar die van een deur die je nooit eerder zag met daarachter kamers die er altijd al bleken te zijn. Dat beeld verklaart waarom dit lemma zo druk bezocht wordt. In heel veel tradities staat het huis namelijk voor de dromer zelf: kamers worden levensgebieden, de staat van het gebouw wordt de staat van de bewoner, en onbekende vertrekken worden delen van jou waar je nooit komt.
De gelijkstelling van huis en zelf groeide in de uitlegtraditie van de negentiende en twintigste eeuw. Ze is elegant en wordt eindeloos herhaald, maar ze blijft een afspraak en geen ontdekking, en ze heeft een veel saaiere concurrent: mensen dromen over huizen omdat mensen duizenden uren binnen doorbrengen. Een adres uit je jeugd dat 's nachts opduikt, kan gewoon geheugenonderhoud zijn. Schade wordt hier bovendien vaker overgelezen dan wat ook. Scheuren, lekkage en instorting gelden traditioneel als spanning, en spanning in een droom is een gevoel en geen voorspelling. Over je werkelijke woning of je veiligheid zegt het niets.
Het gebouw waarin je opgroeide komt binnen met bagage die geen algemene lezing kan kennen, en het huis van een vreemde is een ander beeld: dat geldt meestal als een leven dat je past in plaats van leidt. Was de plek onbekend en voelde ze toch als de jouwe, dan verdient die combinatie meer aandacht dan welke afzonderlijke kamer ook.


