Kennis, register en het verslag van je eigen leven lopen in dit beeld door elkaar. Welk exemplaar het precies was, weegt vaak zwaarder dan de algemene lezing.
Je slaat in een droom een boek open, weet precies waar het over gaat, en toch blijft er geen zin staan. Dat komt zo vaak voor dat uitleggers het eerder als een eigenschap van dromen behandelen dan als een symbool. Wat er verder overblijft is stevig genoeg: boeken worden gelezen als kennis, als vastlegging, en als het verslag dat je van je eigen leven bijhoudt. Welke van die drie meespeelt hangt vooral af van wat je met het boek deed: bladeren, zoeken, dichtslaan of het aan iemand anders geven.
De oudere lijn behandelt een boek als een register: iets waarin zaken worden vastgelegd en waarin je niet zomaar iets verandert. Die lezing geeft het beeld een gewicht dat de moderne uitleg mist, en daar komen uitdrukkingen vandaan over een leven dat geschreven wordt. In die lijn is een boek minder een bron dan een bewijsstuk.
Dromers vertellen vaak dat ze de inhoud van een boek volledig begrijpen zonder ook maar een regel te kunnen ontcijferen. Uitleggers noemen dat begrip dat nog geen woorden heeft gevonden, en dat sluit netjes aan bij hoe mensen de ervaring beschrijven. De nuchtere verklaring is dat de hersengebieden die bij lezen horen tijdens de slaap niet normaal samenwerken. Allebei kunnen ze naast elkaar staan zonder elkaar tegen te spreken, en in dit lemma gebeurt dat dan ook.
Voor iemand die dagelijks leest is een droom over boeken een heel ander voorwerp dan voor iemand die er in jaren geen heeft opengeslagen, en geen enkel lemma kan dat gat voor je dichten. Met welke ideeën en welke herinneringen het beeld bij jou binnenkomt, is het deel dat je mag vertrouwen, en niet de rij algemene betekenissen die eromheen is gegroeid.


