Twee klassieke lezingen van de woestijn spreken elkaar tegen: uitputting tegenover bewuste soberheid. Vaak ligt de oorzaak trouwens gewoon bij een te droge slaapkamer.
Zand tot aan de horizon en verder niets: zo vertellen mensen deze droom na. De woestijn hoort bij de kleine groep landschappen waarvan de twee klassieke lezingen elkaar openlijk tegenspreken. In de ene lijn staat ze voor leegte, dorst en afgesneden zijn van wat je voedt. In de andere, ouder en grotendeels afkomstig uit verhalen over kluizenaars, is het de plek waar mensen expres heen gingen om alles weg te laten en zichzelf te horen denken. Allebei blijven ze bestaan omdat ze allebei kloppen, alleen niet bij dezelfde dromer.
Woestijnen zijn heet en droog, en dat geldt ook voor een slaapkamer in augustus met het raam dicht. Een droge mond, een verstopte neus, te weinig gedronken na een lange avond, een kamer zonder een zuchtje beweging: het komt in de slaap terug als landschap, omdat je hoofd decor bouwt rond wat het lichaam doorgeeft. Voordat je naar de symbolische laag grijpt, is de vraag of je wakker werd met zin in een glas water. Dat antwoord dekt in zijn eentje een flink deel van deze dromen.
Ben je opgegroeid in een droog land, dan is zand thuis en geen gemis, en dat gegeven gaat volledig voor op de traditionele lezing. Mensen die echt door woestijnen gereisd hebben, noemen de droom vaak ruim en schoon; mensen die ze alleen uit films kennen, noemen hetzelfde landschap vijandig. De traditie levert een beginpunt, en jouw eigen voetstappen in die grond bepalen welke van de twee tegenstrijdige versies bij jou hoort.


