Een tarotdeck splitst zich in 22 grote arcana voor de grote wendingen van een leven en 56 kleine arcana, verdeeld over vier reeksen staven, bekers, zwaarden en munten, voor al het andere daartussenin.
Een tarotdeck telt 78 kaarten, verdeeld over twee ongelijke groepen: 22 grote arcana en 56 kleine arcana. Arcana is gewoon het Latijnse woord voor geheimen, zodat de twee namen zich laten vertalen als de grote geheimen en de kleine geheimen. Het verschil ertussen zit in schaal, niet in rang.
De 22 grote arcana zijn genummerd van 0 tot 21 en dragen een eigen naam in plaats van een reeks: De Dwaas, De Magier, De Hogepriesteres, De Keizerin, en zo verder tot en met De Wereld. Geen van deze kaarten hoort bij een reeks, en geen ervan komt dubbel voor. Elke kaart staat precies een keer in het deck.
De 56 kleine arcana zijn opgebouwd als een gewoon kaartspel: vier reeksen van veertien kaarten. Elke reeks loopt van aas tot tien en krijgt er daarna vier hofkaarten bij, in de meeste decks page, ridder, koningin en koning. Vier keer veertien geeft 56, en 56 plus 22 geeft samen 78.
De gelijkenis met een gewoon kaartspel is geen toeval. Een modern spel van 52 kaarten heeft precies hetzelfde geraamte, alleen is de ridder uit elke reeks weggelaten, en dat is waarom de twee spellen zo vertrouwd aanvoelen zodra je ze naast elkaar legt.
De grote arcana staan voor de grote bewegingen: de hoofdstukken waar een leven doorheen gaat, niet de boodschappen binnen een week. Achter elkaar gelegd van De Dwaas op 0 tot De Wereld op 21 wordt de reeks vaak beschreven als een enkele tocht, met De Dwaas als de figuur die op pad gaat en de genummerde kaarten als de mensen, druk en lessen die hij onderweg tegenkomt.
Twee kaarten schrikken beginners vaker af dan de rest. De Dood wordt van oudsher gelezen als een afsluiting en de overgang die daarop volgt, niet als een letterlijke voorspelling, en De Toren als de plotselinge instorting van iets dat vanaf het begin al slecht in elkaar zat. Dat zijn de betekenissen die deze kaarten al heel lang meedragen. Het zijn afspraken die het deck je meegeeft, geen voorspellingen die het deck kan doen.
De nummering ligt bovendien niet in elk deck vast. Kracht en Gerechtigheid staan op de posities 8 en 11, en die twee wisselen van plaats tussen het oudere Marseille-patroon en het Rider-Waite-Smith-deck waar de meeste moderne pakken op zijn gebaseerd. Aan de betekenissen verandert niets, alleen aan de volgorde, en dat is vooral van belang als je kaarten op nummer telt in plaats van op naam.
De kleine arcana staan voor het dagelijks leven: de gesprekken, het werk, het geld en de stemmingen die de ruimte tussen de grote keerpunten vullen. Elke reeks is gekoppeld aan een van de vier klassieke elementen, en dat element bepaalt het onderwerp.
De namen van de reeksen verschillen van deck tot deck, en geen enkele versie is meer juist dan een andere. Noemt jouw deck de aardereeks penningen en de vuurreeks stokken, dan blijft elke betekenis gewoon overeind.
Binnen een reeks worden de nummers meestal als een opbouw gelezen. De aas is het element in zijn ruwste vorm, het begin van de zaak voordat er iets mee gedaan is. De middelste nummers dragen het verder door inzet, tegenslag en onderhandeling. De tien staat helemaal aan het eind, en dat leest bij de ene reeks als afronding en bij de andere als teveel: tien munten is een familiefortuin, tien zwaarden is veel meer piekeren dan het probleem ooit vroeg.
Bij een hofkaart kies je tussen twee lezingen: je ziet er een echt persoon in de situatie in, of juist de aanpak waarmee je die situatie te lijf gaat. De page staat meestal voor een leerling of een boodschap die eraan komt. De ridder is de reeks in beweging, vaak met te veel vaart. De koningin draagt de reeks van binnenuit en kent hem door en door. De koning oefent hem naar buiten toe uit, met het gezag en de directheid die daarbij horen.
De praktische waarde van deze indeling zit in de verhouding tussen de twee groepen. Een legging die bijna volledig uit kleine arcana bestaat, wordt van oudsher gelezen als een situatie op alledaagse schaal, werkbaar en binnen handbereik. Een legging vol grote arcana wijst op iets dat structureel in beweging is, het soort zaak dat niet met een goed gesprek op dinsdag geregeld raakt.
Dat is een leesafspraak en geen meting van iets, en het is de moeite waard om dat verschil helder te houden. Wat de tweeledige opbouw een lezer echt oplevert, is een manier om over schaal te praten, en schaal is een van de weinige dingen die een legging in een oogopslag duidelijk maakt.
De structuur is een stuk ouder dan het waarzeggen. De vroegst bewaard gebleven tarotpakken werden in de vijftiende eeuw in Noord-Italie beschilderd voor een stekend kaartspel, en de 22 genoemde kaarten fungeerden daarin als vaste troeven, die elke kaart uit elke reeks konden verslaan. De woorden troef en triomf delen dezelfde wortel, en precies dat, alles op tafel verslaan, was waar deze kaarten voor gebouwd waren.
Het lezen van de kaarten als waarzeggerij kwam pas later, en verspreidde zich tegen het einde van de achttiende eeuw vanuit Frankrijk. De namen grote en kleine arcana zijn nog jonger, bedacht door Franse occulte schrijvers in de negentiende eeuw. Het beeldrijke deck waar de meeste mensen nu mee leren te lezen, verscheen in 1909 in Londen, getekend door Pamela Colman Smith onder leiding van Arthur Edward Waite. De echte vernieuwing daarvan was dat de kleine arcana volledig uitgebeelde scenes kregen in plaats van simpele opstellingen van bekers en zwaarden, waardoor de kleine geheimen voor een nieuwkomer veel makkelijker te lezen werden. Bijna elk modern deck heeft die keuze sindsdien overgenomen.


