Een legging is het patroon waarin je kaarten neerlegt, en elke positie bepaalt welke vraag de kaart op die plek moet beantwoorden. Hier zijn drie leggingen die de moeite waard zijn om als eerste te leren.
Een tarotlegging is niet zomaar een stapeltje kaarten dat je omdraait. Het is het patroon waarin je de kaarten neerlegt, en elke plek in dat patroon is een aparte vraag die de kaart die daar terechtkomt moet beantwoorden. Dezelfde kaart leest anders op een plek die je "wat houdt dit tegen" hebt genoemd dan op een plek die "wat zou helpen" heet. De legging zelf doet dus al de helft van het werk, nog voordat er een kaart is omgedraaid.
Drie leggingen dekken bijna alles wat een beginner nodig heeft: een enkele kaart, een rij van drie en een klein kruis van vijf. Grotere leggingen zijn later hetzelfde idee met meer bewegende delen, en die leer je makkelijker aan de hand van deze drie dan ervoor in de plaats.
De regel die elke legging laat werken, is dat je vooraf beslist wat iedere plek op tafel betekent. Zeg het hardop of schrijf het op, maar leg het vast voordat er een kaart wordt omgedraaid. Doe je dat achteraf, dan pas je de betekenis vanzelf aan op wat je toevallig getrokken hebt, en vertelt de legging je alleen nog wat je al dacht.
Diezelfde scherpte geldt voor de vraag zelf. Vraag je of iemand nog gaat bellen, dan lok je een ja of een nee uit een deck van 78 kaarten dat daar eigenlijk niet voor gemaakt is. Vraag je wat je over het hoofd ziet in een situatie, dan geef je de kaarten iets om over te gaan, en jezelf iets om mee verder te werken.
Schud op de manier die bij je past, deel de kaarten van boven af en leg ze dicht neer. Draai ze daarna een voor een om, in de volgorde van de posities. Alles in een keer omdraaien is verleidelijk, maar dan lees je de hele tafel terug vanaf het meest opvallende plaatje dat erop ligt, in plaats van vanaf je eigen vraag.
Trek een enkele kaart en geef die precies een taak. Meestal is dat waar je vandaag op moet letten, of welke toon iets heeft waar je zo in stapt.
Beginnen met een kaart is nuttig omdat je dan gedwongen wordt om echt te kijken. Er is niets om mee te vergelijken, dus je moet benoemen wat er op het plaatje staat, wat de figuur aan het doen is, of de scène rustig of druk aandoet, en hoe dat aansluit op je vraag. Beschrijven voordat je concludeert is de hele vaardigheid, en bij grotere leggingen sla je die stap maar al te makkelijk over door meteen naar een verhaal te springen.
Schrijf de kaart op met een regel over hoe de dag verliep. Doe dat een maand lang en je hebt je eigen werkbare betekenissen opgebouwd, in je eigen woorden, en die onthoud je beter dan een lijstje dat je uit je hoofd hebt geleerd.
Drie kaarten naast elkaar, gedeeld van links naar rechts. Het bekendste label is verleden, heden en toekomst, en dat is meteen de zwakste keuze, omdat je dan de derde kaart als voorspelling gaat lezen in plaats van als antwoord.
Sterkere labels voor diezelfde drie plekken:
Lees de drie kaarten als een zin in plaats van als drie losse uitspraken. Let op of ze dezelfde kleur, hetzelfde symbool of dezelfde stemming delen, en of de figuren elkaar aankijken of juist van elkaar wegkijken. Een rij waarin alle drie de plaatjes druk ogen, zegt iets anders dan een rij met een stille kaart in het midden, wat de losse betekenissen ook zijn.
Het kruis van vijf kaarten is de eerste legging met genoeg ruimte voor een situatie met meerdere kanten. Leg een kaart in het midden, dan een links, een rechts, een erboven en een eronder.
Het midden draait om de kern van de zaak, wat er eigenlijk speelt, en dat is niet altijd hetzelfde als waar je naar vroeg. Links staat voor wat hieraan voorafging, de druk of de beslissing waar de situatie uit is ontstaan. Rechts laat zien waar het naartoe gaat als er niets verandert, een richting, geen vonnis.
Boven staat voor wat je je bewust bent, je eigen versie van het verhaal, de uitleg die je hardop zou geven. Onder staat voor wat daaronder zit, het motief of de angst die je niet uitspreekt, en dat is vaak de kaart die het meest oplevert.
Het paar om echt bij stil te staan is boven en onder. Komen die twee overeen, dan ken je je eigen gedachten en is het probleem vooral praktisch. Spreken ze elkaar tegen, dan heeft de legging de echte moeilijkheid gevonden, en zijn de andere drie kaarten daar vooral commentaar op.
Laat de omvang van de legging meegroeien met de omvang van de vraag. Een kaart voor een dag of een stemming, drie voor een concrete beslissing of een probleem waar je in vastzit, vijf voor iets ingewikkelds dat al weken meesleept. Extra kaarten trekken omdat het antwoord je niet beviel, is de meest voorkomende beginnersfout en de snelste manier om van een legging ruis te maken.
Wat de kaarten in werkelijkheid doen, is je een willekeurig beeld en een positie geven die je verplicht om die twee aan elkaar te knopen. Het verband leg je zelf. De waarde zit in wat er naar boven komt terwijl je dat doet: het bezwaar waarvan je niet wist dat je het had, de opluchting of de weerstand die je voelt zodra een kaart neerligt, de zin die je hardop uitspreekt en voor het eerst goed hoort. Gebruik je deze drie leggingen als een manier om een vraag stap voor stap te doordenken in plaats van als een rapport over wat komen gaat, dan doen ze jarenlang dienst.


