Het moment in de maandelijkse cyclus waarop de maan tussen ons en de zon door schuift en volledig verdwijnt, en waarom die duisternis van oudsher juist als een begin wordt gelezen in plaats van als een einde.
Een nieuwe maan valt op het moment dat de maan tussen de aarde en de zon door beweegt, waardoor de kant die wij zien geen zonlicht ontvangt en volledig uit de nachtelijke hemel verdwijnt. Astrologisch wordt die duisternis niet als einde gelezen, maar als het begin van een cyclus, en dat is waarom een maankalender elke nieuwe maan als een schone bladzijde behandelt. De sterrenkunde en de uitleg die eromheen is gebouwd, zijn twee losse dingen, en het helpt om ze apart te houden.
De maan maakt zelf geen licht, ze is een rots die zonlicht terugkaatst, en de ene helft van haar is altijd verlicht terwijl de andere helft altijd donker is. Fasen zijn niets meer dan hoeveel van die verlichte helft toevallig naar ons toe gekeerd staat. Bij een nieuwe maan staat de maan ruwweg op een lijn tussen ons en de zon, dus wijst de verlichte kant de andere kant op en ligt de kant die naar de aarde is gekeerd in schaduw.
Die stand heeft een praktisch gevolg waar weinig mensen bij stilstaan. Een nieuwe maan staat overdag aan de hemel, niet 's nachts. Ze komt rond zonsopgang op, staat rond het middaguur hoog boven je en gaat rond zonsondergang weer onder, de hele tijd vlak bij de zon en verloren in het felle licht. De nachten rond een nieuwe maan zijn daardoor de donkerste van de maand, en daarom plannen sterrenkundigen en iedereen die de Melkweg wil zien hun avond juist rond die data.
Ook dit is een moment en geen avond. De nieuwe maan is het exacte ogenblik waarop maan en zon, gezien vanaf de aarde, in dezelfde richting staan, en kalenders drukken dat moment tot op de minuut af. Een paar uur later is de maan er alweer van weggeschoven.
De lijn is nooit helemaal exact, en dat is precies waarom er in de meeste maanden niets bijzonders gebeurt. De baan van de maan staat ongeveer vijf graden schuin ten opzichte van het pad dat de zon aan de hemel lijkt af te leggen, dus schuift ze bij de meeste nieuwe manen net boven of onder de zon langs in plaats van ervoor. Op de paar momenten dat de lijn wel precies klopt, is die nieuwe maan een zonsverduistering.
Van de ene nieuwe maan tot de volgende gaan ongeveer 29,5 dagen voorbij. Dat levert twaalf of dertien nieuwe manen per kalenderjaar op, en omdat twaalf van die cycli samen ongeveer elf dagen korter duren dan een zonnejaar, schuiven de data ieder jaar een stukje naar voren in plaats van steeds op dezelfde dag terug te keren.
Een dag tot drie dagen na het exacte moment duikt laag in het westen, vlak na zonsondergang, een heel dunne sikkel weer op, die maar kort zichtbaar is voordat ze de zon achterna onder de horizon zakt. Vaak is de rest van de schijf ook zwak te zien, een grijze cirkel binnen de heldere sikkel. Dat is zonlicht dat via de aarde is teruggekaatst naar de maan, en dat verschijnsel heet aardschijn.
Goed om te weten: die eerste sikkel is niet de nieuwe maan, maar wat er na komt. Sommige kalenders, de islamitische het meest gebruikt, laten een nieuwe maand pas beginnen bij de eerste menselijke waarneming van de sikkel in plaats van bij het berekende moment, waardoor een religieuze datum een dag of twee na de sterrenkundige datum kan vallen, en van plek tot plek kan verschillen al naargelang de hemel daar helder genoeg is om de sikkel meteen te zien.
Op dat moment staan zon en maan op precies hetzelfde punt van de dierenriem, dus valt elke nieuwe maan in een teken, en wel altijd het teken waar de zon op dat moment doorheen trekt. Een nieuwe maan halverwege mei is een Stier-nieuwe maan. Eentje eind oktober is een Schorpioen-nieuwe maan. Over een heel jaar werken ze zich zo langs het hele wiel, ongeveer een per teken.
Dat geeft elke nieuwe maan zijn veronderstelde kleur, omdat de betekenis van het teken die van de nieuwe start inkleurt. Omdat 29,5 dagen net iets korter is dan de tijd die de zon in een enkel teken doorbrengt, vallen er af en toe twee nieuwe manen in hetzelfde teken, en wordt een ander teken juist overgeslagen.
Die lezing heeft een heel praktische oorsprong. Voordat er gedrukte kalenders bestonden, was de maan de klok die iedereen kon zien, en de terugkeer van de sikkel was het zichtbare startsein van een nieuwe telling. Zaaien, jagen en reizen werden erop afgestemd, en juist de donkere nachten rond de omslag van de cyclus waren de nachten met het minste licht om bij te werken.
Daaruit komt het hele vocabulaire dat eraan vastzit: zaadjes, eerste stappen, werk achter de schermen, dingen die nog niet klaar zijn om te tonen. Er is nog niets onthuld, omdat er nog niets besloten is. Bij de volle maan legt de traditie de zichtbaarheid en het resultaat, bij de nieuwe maan het stuk dat nog niemand heeft gezien.
Eerlijk gezegd is dit een betekenis die aan een terugkerende gebeurtenis is gehangen, geen kracht die je week stuurt. Wat een nieuwe maan wel betrouwbaar doet, is ongeveer elke 29,5 dagen een merkteken op de kalender zetten, en een vast merkteken is oprecht bruikbaar. Wie iets aan nieuwe manen heeft, haalt dat meestal uit een gewoonte om elke twee weken terug te blikken, niet uit de hemel zelf.
In de praktijk komt dat neer op een paar gewoontes:
Aan niets hiervan hangt een garantie vast, en een plan dat op een andere dag begint, staat niet op achterstand. De waarde zit in het terugblikken, en de maan levert daarvoor een schema dat je niet zelf hoeft te onthouden.


