De tien hemellichamen die de astrologie als planeet leest, wat elk daarvan volgens de traditie bestuurt, en waarom een langzaam bewegende plaatsing een hele generatie beschrijft in plaats van een persoon.
Astrologie telt tien planeten: de Zon, de Maan, Mercurius, Venus, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus en Pluto. Elke planeet staat voor een andere behoefte of functie, en het teken waarin hij stond op het moment van je geboorte kleurt volgens de traditie hoe die functie zich in jou gedraagt.
Het woord planeet komt van een Grieks woord voor zwerver. Wie de sterrenhemel eeuwenlang met het blote oog volgde, zag de meeste lichtpunten avond na avond op precies dezelfde plek ten opzichte van elkaar staan, op een klein groepje na. Dat groepje bewoog wel, en dat waren de planeten. De twee helderste ervan waren de Zon en de Maan.
De sterrenkunde heeft de boel intussen keurig uitgezocht: de Zon is een ster, de Maan draait als satelliet om de aarde, en Pluto werd in 2006 gedegradeerd tot dwergplaneet. De astrologie hield de oude indeling gewoon aan, want die indeling was nooit een uitspraak over natuurkunde. Het was een lijst van alles wat bewoog tegen een vaste sterrenachtergrond, en de betekenissen werden aan die beweging gehangen. Astrologen noemen de Zon en de Maan vaak de lichten, om ze apart te houden van de rest van de lijst.
Vijf van de tien planeten bewegen snel genoeg om te verschillen tussen mensen die in hetzelfde seizoen geboren zijn. Ze heten de persoonlijke planeten, omdat ze van persoon tot persoon wisselen in plaats van van generatie tot generatie.
Omdat deze vijf al in dagen of weken van teken wisselen, kunnen twee mensen die twee weken na elkaar geboren zijn hetzelfde zonneteken delen en verder niets gemeen hebben in dit rijtje. Het grootste deel van het verschil tussen de ene geboortehoroscoop en de andere ontstaat precies hier.
Deze twee planeten zitten tussen de snelle groep en de verre buitenplaneten in. Astrologen noemen ze weleens de sociale planeten, omdat ze eerder de fases van een leven markeren dan een stemming van de dag of een hele generatie.
Jupiter doet er ongeveer twaalf jaar over om rond te gaan, dus hij blijft ruim een jaar in elk teken en keert rond je twaalfde, vierentwintigste, zesendertigste en achtenveertigste levensjaar terug naar zijn beginpositie. Hij staat voor groei: waar je gul bent, waar je te ver gaat, waar je er zomaar van uitgaat dat het wel goed komt. Dezelfde plaatsing krijgt de eer voor geluk en de schuld voor overdaad, en dat is vaak hetzelfde gedrag, alleen bekeken van een andere afstand.
Saturnus heeft ongeveer negenentwintig jaar nodig voor een volledige omloop, wat neerkomt op iets meer dan tweeënhalf jaar per teken. Hij staat voor grenzen, structuur en de prijs die dingen kosten. Het moment waarop hij terugkeert naar de plek waar hij bij je geboorte stond, meestal ergens tussen je achtentwintigste en dertigste, heet de Saturnusterugkeer. De traditie leest dat als het moment waarop blijkt of de keuzes uit je twintiger jaren een volwassen leven kunnen dragen.
Uranus, Neptunus en Pluto zijn met het blote oog niet te zien en waren bij de oudere astrologie onbekend. Uranus werd ontdekt in 1781, Neptunus in 1846 en Pluto in 1930. Alledrie bewegen ze zo traag dat iedereen die binnen een paar jaar van jou geboren is, dezelfde plaatsing met je deelt.
Uranus doet er ongeveer vierentachtig jaar over om de Zon te omcirkelen, wat neerkomt op zo'n zeven jaar per teken. Hij staat voor verstoring en onafhankelijkheid: de breuk, de weigering, de plotselinge koerswijziging die niemand had zien aankomen. Neptunus heeft ongeveer honderdvijfenzestig jaar nodig, veertien jaar per teken, en zijn gebied is alles zonder scherpe randen: verbeelding, verlangen, illusie, de wens om op te gaan in iets groters dan jezelf. Pluto doet er ongeveer tweehonderdachtenveertig jaar over en beweegt onregelmatig, omdat zijn baan verre van rond is: hij kan twaalf jaar in het ene teken staan en dertig in het volgende. Hij staat voor macht, dwang, en het soort verandering waarna je de vorige versie van jezelf niet meer terugkrijgt.
Dat is meteen de reden waarom een plaatsing als Neptunus in Schorpioen een hele lichting beschrijft die over veertien jaar geboren is, en niet een specifiek persoon. Astrologen behandelen de drie buitenplaneten pas als persoonlijk zodra ze dicht bij iets snels staan, zoals de positie van de Zon of het punt van de dierenriem dat op het moment van je geboorte net boven de oostelijke horizon opkwam: de ascendant.
De vuistregel is dat de planeet het werkwoord is en het teken de manier van doen. Mars is de handeling van duwen. Mars in Weegschaal duwt door te onderhandelen, Mars in Ram duwt door als eerste te gaan, en geen van beide versies is de juiste. Een plaatsing die lastig wordt genoemd, is meestal gewoon een functie die haar werk doet op een manier die iets kost.
Twee extra lagen veranderen de lezing nog verder, en die horen allebei bij een volledige geboortehoroscoop, niet bij een losse planeet: in welk van de twaalf hemelvakken de planeet viel, huizen genoemd en gelezen als levensgebieden, en de hoeken die planeten onderling met elkaar maken, aspecten genoemd. Geen van beide is te berekenen zonder geboortetijd, want ze hangen allebei af van de draaiing van de aarde.
Deze betekenissen zijn overgeleverd, niet gemeten. Niets aan de planeet Mars zorgt ervoor dat iemand zijn geduld verliest, en de associaties zijn ontstaan uit eeuwen mythologie, geleende symboliek en herhaalde waarneming, niet uit toetsing. Behandel het daarom als een woordenschat, niet als een natuurwet: tien kopjes die toevallig een persoonlijkheid langs bruikbare lijnen verdelen.
Zo bekeken is de lijst het leren waard, want de indeling is scherp gekozen. Iets willen, ernaar jagen, ervan genieten en het uitleggen zijn vier aparte vaardigheden, en de meeste mensen zijn merkbaar beter in sommige dan in andere. Waar de traditie te ver gaat, is de stap van beschrijving naar voorspelling. Een planeet die in een teken staat, vertelt je niet wat volgende maand brengt.


